En toen liepen wij keurend, in kaplaarzen die diep wegzakten in de zompige klei, over de kerstbomenlanderijen van mijn ouders.
(Vooruit, de kerstbomenlanderijen moet ik wellicht even toelichten. Het is een heel lang, ingewikkeld verhaal, over mijn ouders die grootgrondbezitters zijn maar lang niet snobistisch, over de dag dat zij besloten om een ferme pachtersknaap wat piepkleine dennetjes te laten poten (want geen tijd voor agrarische onzin), over dat ze de dennen een paar luttele jaartjes zouden laten uitgroeien om ze daarna eenvoudig te laten uitgraven door kerstminnende dorpelingen, over dat die paar jaartjes ras en druk verstreken, over dat de piepkleine dennetjes na inmiddels vijftien, ja vijftien jaar nu woudreuzen zijn, over dat mijn ouders nu met duizenden woudreuzen in hun maag zitten.)
Enfin.
‘Ik wil de grootste die er is,’ informeerde ik Man hebberig, die met een spade over zijn schouder naast me baggerde.
Man vond het prima. ‘Zolang hij maar kleiner is dan drie meter,’ besloot hij toegeeflijk.
En dat was ik met hem eens. Het geval moest wel in de woonkamer passen natuurlijk.
Maar ja.
Hoe groot is drie meter, hè. Dat is lastig inschatten als je zo in een veld reuzenbomen staat.
We kozen een net exemplaar uit. Man groef, ik reed de kruiwagen aan, wat een team.
En u dacht het al.
Er moest een meter vanaf wilde het gevaarte rechtop kunnen staan. Onder ons plafond van drie meter hoog. Man zaagde nors.
‘Het ziet er wel een beetje eh… ráár uit,’ vond ik kritisch, kijkend naar het tegen het plafond gedrukte stompje.
Ja. De sfeer zat er goed in.
‘We moeten meer ballen,’ bekeek ik mijn werk met een schuin hoofd. Al mijn ballen zaten in de boom, en amper de helft was gevuld. Ja, dat krijg je ervan, van hebberigheid.
Dochter jengelde, ze vond er al een tijdje niet zoveel meer aan, aan het hele kerstboomgebeuren. Man fronste zijn wenkbrauwen. Ik wilde naar de winkel. Man zuchtte en voerde Dochter een fruittella tegen het jengelen. ‘Doe nou niet,’ zei ik nog. Maar het was al te laat, de fruittella zat al in het kind. En hij kickte grondig in. In de kerstballenwinkel.
Juist. Het werd nu echt gezellig.
Man draafde achter zijn hypoglemisch stuiterende nageslacht aan en vloekte.
‘Had je haar geen fruittella moeten geven,’ gooide ik olie op het vuur. En ik ging rustig verder met het uitzoeken van een stel fijne glimmers.
‘Kom hier! Niet aankomen! NEE, NIET DOEN!’ hoorde ik Man brullen, temidden van teer kerstgoed.
Kijk eens aan. We genoten met volle teugen van elkaar en de gezelligheid.
‘De lampjes doen het niet meer,’ constateerde ik verbaasd, toen ik, eenmaal thuis, de stekker in het stopcontact deed.
De lampjes deden het niet meer.
Het was een vredig tafereel.
Heerlijk. De kerst is begonnen.